De tollenaar

In de oudheid waren belastingen incidentele, vaak eenmalige heffingen die door machthebbers aan onderdanen werden opgelegd wanneer daar een noodzaak voor was. Een noodzaak was bijvoorbeeld een oorlog die gefinancierd diende te worden of de aanleg van een weg of de bouw van een fortificatie. De Romeinen voerden een grondbelasting genaamd Tribitum soli in voor inwoners die geen Romeins burger waren. Deze belasting op het gebruik van grond werd in natura voldaan door een tiende van de opbrengst van het land, ook wel ‘de tienden’ genoemd, over te dragen aan de tollenaar.

De tollenaar was iemand die voor de machthebber de tienden kwam innen bij boeren en buitenlui. Uiteraard is hier sprake van georganiseerde diefstal, omdat niemand vrijwillig 10 procent van de opbrengst van het eigen harde werk afdraagt aan een ander. De tollenaar nam hiervoor dan ook enkele goedbewapende soldaten mee, want wanneer de bevolking vond dat er teveel belasting werd gevraagd kon zo’n tollenaar zomaar met pek en veren het dorp uitgejaagd worden.

In de middeleeuwen begonnen naast koningen en andere edellieden ook steden belastingen te heffen. Deze bestonden uit accijnzen op eerste levensbehoeften, dus eigenlijk een eerste vorm van BTW-heffing. De rol van de tollenaar veranderde enigszins, want in plaats van een functionaris van de overheid was het gebruikelijk om de belastinginning te verpachten aan ondernemers. Iemand kon het recht op belastingheffing verkrijgen binnen een afgebakende regio voor een bepaalde termijn tegen een pachtsom. Alles wat deze pachter meer op kon halen dan de betaalde pachtsom was dan zijn winst. Uiteraard liep ook deze vorm van de tollenaar het risico om, wanneer de belastingheffing te hoog opliep, door boze mensen te worden weggejaagd.

Toen de Nederlanden nog onder Spaans bewind vielen werd door koning Philips II de hertog van Alva naar de lage landen gestuurd met een missie om de Spaanse schatkist te vullen. De bevolking werd op drie manieren belast: De ‘honderdste penning’ was een heffing van 1% op alle roerende en onroerende goederen, de ‘twintigste penning’ was een omzetbelasting van 5% op de verkoopprijs van onroerende zaken zoals huizen en de ‘tiende penning’ was een omzetbelasting van 10% op de verkoop van roerende zaken, weer een versie van BTW-heffing dus. Dit ‘stelsel van penningen’ viel niet goed, maar vormde naast godsdienstvrijheid de aanleiding voor een opstand die uiteindelijk bekend werd als de Tachtigjarige oorlog. Tachtig jaren strijd met vele slachtoffers, door historici aangemerkt als een van de meest destructieve conflicten van die tijd. En dat alles omdat men het niet pikte dat de machthebber en zijn tollenaars teveel afdrachten aan de staatskas kwamen eisen.

Het vertrek van de Spanjaarden uit de Nederlanden was natuurlijk niet het einde van de belastingheffing. Want waarom zou je als machthebber een systeem om zeep helpen wat een geldstroom op gang brengt van de onderklasse naar de elite waar je deel van uitmaakt? En er werden steeds nieuwe belastingen bedacht. Zoals de belasting die de Staten van Holland in 1696 invoerden op trouwen en begraven. Deze belasting kwam tot stand door een prijsvraag uit te schrijven wat er belast kon worden die gewonnen werd door Engelsman Joseph Kerby uit Amsterdam. Lang kon hij niet genieten van de winst, want er ontstond vrijwel direct een opstand die in heel Europa stof deed opwaaien. Kerby’s huis werd als eerste door de opstandelingen volledig leeggeplunderd, terwijl men scandeerde: “Die hond heeft dat gepractiseerd van ’t trouwen en begraven. Wij zullen hem daarvoor havenen.” Twaalf opstandelingen werden opgehangen nadat de opstand met geweld werd neergeslagen. De Staten van Holland vaardigden bovendien het ‘verbod op het molesteren van belastingpachters’ uit op straffe van dood door ophanging om de tollenaars te beschermen tegen relschoppers.

Ook in de dertien koloniën die later bekend zouden komen te staan als de Verenigde Staten van Amerika leidde de invoering van belastingen tot een opstand. Toen de Britten in 1765 de Stamp tax invoerden waarmee ze de kosten van gevoerde oorlogen ter waarde van £60.000 per jaar wilden dekken, kwam de Amerikaanse bevolking in verzet. Het voorstel om de belastingdruk te verhogen van de 1-1,5% die Amerikanen betaalden aan de Britse kroon leidde tot boycots van Britse producten en gewapende opstanden en werd uiteindelijk in 1766 ingetrokken. De Britten bleven het proberen door de invoering van belastingen op glas, lood, papier, verf, koffie, wijn en thee in 1764, 1767 en 1773. De belasting op thee vormde de druppel die leidde tot het dumpen van Britse thee in de haven van Boston door de Tea Party. De maat was vol en de opstanden mondden uit in de onafhankelijkheidsoorlog die de kolonisten uitvochten tegen de Britten. Een bloedig conflict dat acht jaar duurde.

Nee, de tollenaar is niet iemand die men graag zag komen en het mag wel duidelijk zijn dat de heffingen absoluut geen vrijwillige bijdragen waren. Dat is natuurlijk wel een probleem als je de machthebber bent en naast je hofhouding ook je leger wil financieren uit de middelen van je onderdanen. Naast het aangaan van leningen, waarover in een latere column zeker meer, moest het toch mogelijk zijn om meer uit die mensen te persen? Maar de grens van wat men acceptabel vond lag een stuk lager dan wat de heerser nodig had. En de tollenaar, die vormde het gezicht van de belastingheffing en kreeg de volle laag wanneer die grens werd overschreden.

Vind je dit leuk? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *