Inflatie

Belastingheffing kan verschillende vormen aannemen. De meest bekende vorm is als een heffing op consumptie of bezit. BTW-heffing en accijnzen zijn voorbeelden van het belasten van consumptie en de WOZ belasting en vermogensbelasting zijn voorbeelden van het belasten van bezit. Soms wordt besloten om belasting niet bij burgers te innen, maar bij bedrijven. Een voorbeeld hiervan is omzetbelasting of een uitstootheffing die de uitstoot van ‘schadelijke stoffen’ belast. Het klinkt heel sympathiek om in plaats van de burger juist bedrijven te belasten, maar helaas landen ook deze belastingen toch altijd bij de burger. Dat komt omdat de burger voor zijn inkomen afhankelijk is van die bedrijven en een bedrijf dat extra kosten in de vorm van belasting moet absorberen gaat dan snijden in de grootste kostenpost: salarissen. Dus mensen verliezen hun baan of zien hun salarissen niet stijgen.

Maar waarom zouden salarissen eigenlijk altijd maar moeten stijgen? Dat komt door het fenomeen dat inflatie heet. Het woord inflatie is afgeleid van het Latijnse werkwoord inflare, wat ‘opblazen’ of ‘inblazen’ betekent. Vanaf ongeveer 1875 wordt deze term gebruikt om te verwijzen naar het ‘opblazen’ van de geldhoeveelheid, waardoor geld minder waard wordt. Het minder waard worden van geld uit zich in het stijgen van de prijzen van producten. Vaak wordt tegenwoordig gesteld dat inflatie juist het stijgen van de prijzen betekent. Maar zoals Tom van Lamoen heel goed uitlegt in zijn column getiteld ‘De kaping van inflatie : hoe een verdraaide definitie een politiek wapen werd’, is dat een misvatting. Inflatie is namelijk de oorzaak en prijsstijgingen zijn het gevolg. En een fenomeen kan niet tegelijk oorzaak en gevolg zijn. Oorlog leidt tot slachtoffers, maar oorlog ís niet slachtoffers, oorlog is de oorzaak, slachtoffers zijn het gevolg.

Ook de bekende econoom Milton Friedman deed uitvoerig uit de doeken dat inflatie altijd en overal een monetair verschijnsel is. Met andere woorden: het monetaire beleid waardoor geld wordt bijgedrukt is wat inflatie is, prijsstijgingen zijn het gevolg van de geldontwaarding die inflatie oplevert. Een door Friedman aangedragen voorbeeld wat dit duidelijk aantoont is het bijdrukken van geld door de Confederate states in de Amerikaanse burgeroorlog. De waarschuwingen van de Secretary of the Treasury Memminger dat “de grote hoeveelheid geld die vandaag de dag in omloop is moet leiden tot afschrijvingen en financiële rampspoed” werden in de wind geslagen. Door de zuidelijke staten werd dermate veel geld bijgedrukt dat de waarde van de zuidelijke dollars in elkaar stortte. In januari 1864 waren deze 58% minder waard dan 3 jaar eerder en in januari 1865 zelfs 80% minder.

Het mechanisme is simpel: Wanneer er meer geld beschikbaar is en het aanbod van goederen niet meegroeit zal er meer geld nodig zijn om die goederen te kopen. Dus als er 100 huizen te koop zijn en de geldhoeveelheid groeit van € 1.000.000 naar € 1.500.000, terwijl er niet ineens meer huizen zijn gebouwd, dan stijgt de gemiddelde prijs van een huis van € 10.000 naar € 15.000. Om nog eens aan te tonen dat dit door de geldhoeveelheid komt kun je nadenken over geld wat niet inflationair is, zoals gouden munten. Wanneer er in het voorbeeld hierboven 100 huizen zijn en 1.000.000 gouden munten, dan blijft de gemiddelde huizenprijs gelijk op 10.000 gouden munten, want net zoals er niet plotseling extra huizen gebouwd worden, zo is er ook niet ineens extra goud beschikbaar. De waarde van de gouden munten is stabiel terwijl de waarde van biljetjes die worden bijgedrukt afneemt zodra er meer van beschikbaar komen.

Dus wanneer de centrale banken, die niet in overheidshanden zijn maar private ondernemingen, de geldhoeveelheid verruimen dan neemt de waarde van het geld af en stijgen de prijzen. Die stijgende prijzen worden door bedrijven die hun grondstofprijzen zien stijgen dan weer doorberekend aan de klant, waardoor die minder kan kopen met hetzelfde geld. En omdat mensen dan niet meer rond kunnen komen moeten salarisstijgingen worden doorgevoerd om de inflatie te compenseren in de vorm van een inflatiecorrectie.

Het vervelende is dat die inflatiecorrectie doorgaans niet voldoende is om de reële inflatie te compenseren, waardoor mensen hun koopkracht zien afnemen en in reële termen steeds armer worden. Dat komt omdat de berekening van de prijsstijgingen die het gevolg zijn van inflatie niet zuiver zijn. De Consumenten Prijs Index (CPI) wordt namelijk berekend met een mandje producten dat niet stabiel is. Producten die onbetaalbaar zijn geworden worden uit het mandje gegooid, terwijl het mandje uit het verleden waarmee wordt vergeleken die producten nog wel bevat. Ook zaken als huizenprijzen en belastingen worden niet meegenomen, terwijl iedereen daar wél mee te maken heeft. De uitwerking van het bijdrukken van geld is dus dat iedereen langzaamaan steeds een beetje armer wordt.

Inflatie is dus eigenlijk in de uitwerking een verkapte vorm van belastingen die iedereen raakt, maar de armeren nog het meest. Dit komt omdat rijkere mensen hun vermogen meestal geïnvesteerd hebben in panden, productiemiddelen, aandelen, obligaties en andere zaken die in waarde toenemen. Armere mensen hebben een veel groter deel van hun vermogen in Euro’s op de bank staan en geven ook een veel groter percentage van hun geld uit aan het kopen van producten zoals levensmiddelen of energie. Zodra die uitgaven gedaan zijn is er veel minder over om te investeren in iets waardevasts dan voor rijkere mensen. Inflatie is dus een last die veel zwaarder drukt op de zwakste schouders en dat dan ook nog cumulatief. Want jaar na jaar is er inflatie op inflatie, waardoor prijzen telkens stijgen, maar nooit dalen. Lagere inflatie leidt tot lagere prijsstijgingen, maar nooit tot een prijsdaling.

Vind je dit leuk? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *